In een klein, schemerig huisje op een fantasyfair in Archeon zit het publiek muisstil te luisteren. Uit een draagbaar luidsprekertje klinkt muziek. Geen podium, geen schijnwerpers of projectieschermen. Alleen twee verhalenvertellers, een paar eenvoudige attributen en een oud volksverhaal dat al eeuwen wordt doorgegeven.
Aan het einde van de voorstelling spreek ik met Erik Maassen, beter bekend als De Sprookspreker, en zijn dochter Merlijn, die optreedt als De Kletsprater. Samen brengen zij middeleeuwse ridderverhalen, sprookjes en oude volksvertellingen opnieuw tot leven, precies zoals verhalenvertellers dat eeuwen geleden deden op jaarmarkten en in herbergen.
Van geschiedenisles naar kampvuur
Voor Erik begon het ruim vijftien jaar geleden. Hij werkte jarenlang als docent geschiedenis, maar miste het vertellen van verhalen. Tegelijk raakte hij betrokken bij middeleeuwse re-enactment.
“Die twee dingen heb ik eigenlijk bij elkaar gebracht.”
Zo ontstond De Sprookspreker.
Wat begon met middeleeuwse ridderverhalen groeide uit tot optredens op fantasyfestivals, historische evenementen en vertelvoorstellingen door heel Nederland. Zijn repertoire bestaat uit oude volksverhalen, ridderromans en sprookjes die hij telkens opnieuw vertelt, zonder dat ze ooit precies hetzelfde klinken.
Opgegroeid tussen de verhalen
Toen Erik begon, was Merlijn nog een kleuter. Nu staat ze als negentienjarige naast hem op evenementen. Verhalen vertellen zat er al vroeg in.
“Altijd,” zegt Erik als ik vraag of er thuis veel werd voorgelezen. “Ook met de hele familie erbij.”
Merlijn herinnert zich nog goed welke verhalen haar het meest bijbleven.
“Hoe Roeland ridder werd vond ik altijd heel leuk.”
En ook De Zes Zwanen, het sprookje over een meisje dat haar betoverde broers probeert te redden.
Zelf ontdekte ze later een eigen manier van vertellen. Ze speelde al van jongs af aan toneel en musicals. Uiteindelijk ontstond het idee om verhalen te combineren met poppenspel.
“Waarom zou ik die verhalen niet met een pop vertellen?”
Zo ontstond haar eigen alter ego: De Kletsprater, met onder meer een jonge draak die het onmogelijke wil: ridder worden.
Een kostuum helpt je een verhaal binnen te stappen
Opvallend is dat vader en dochter niet alleen verhalen vertellen, maar er ook uitzien alsof ze rechtstreeks uit de Middeleeuwen zijn gestapt. Alle kostuums worden door Merlijn zelf gemaakt.
“Ik maak bijna alles.”
Zodra ze de kleding aantrekt, verandert er iets.
“Ik merk dat ik er heel anders van ga staan. Anders lopen, anders praten.”
En het doet ook wat met het publiek: het helpt het publiek om in een nieuwe wereld te stappen.
“Je doet dat met je stem, met je bewegingen, maar ook met je kleding.”
De film die in je hoofd ontstaat
Wat maakt iemand eigenlijk een goede verhalenverteller?
Volgens Erik draait het niet om grote gebaren of een luide stem. Juist afwisseling is belangrijk.
“Hard praten, zacht praten, langzaam praten, snel praten.”
En vooral: toewerken naar het juiste moment.
“Je moet naar een climax opbouwen.”
Maar het mooiste moment komt pas daarna.
“Als je in de ogen van de mensen kunt zien dat ze in een hele andere wereld zitten.”
Hij glimlacht.
“Dat kan je echt zien.”
Voor hem is dat het bewijs dat een verhaal zijn werk doet.
“Dan heb ik altijd het gevoel: het lukt vandaag.”
Oude verhalen blijven leven
Hoewel hun verhalen gebaseerd zijn op eeuwenoude volksvertellingen, liggen ze nooit helemaal vast.
Erik combineert soms verschillende bronnen tot één nieuw verhaal. Merlijn schrijft juist ook volledig nieuwe vertellingen, zoals het verhaal over een jonge draak die ridder wil worden.
Toch blijft improvisatie een belangrijk onderdeel van hun optredens.
Zelfs wanneer er muziek meespeelt.
“Dan moet je soms ineens een paar zinnen improviseren omdat je merkt dat je tien seconden voorloopt op de muziek.”
Juist daardoor blijft ieder optreden uniek: een verhaal leeft. En verandert met iedere verteller én met ieder publiek.
Waarom verhalen nooit af zijn
Erik bracht ooit een bundel met zijn verhalen uit. Toch ontdekte hij al snel dat papier ook een nadeel heeft.
“Als je de verhalen eenmaal hebt opgeschreven, dan veranderen ze niet meer.”
En dat vindt hij jammer, want juist het mondeling vertellen houdt verhalen levend.
“Je kunt tien of vijftien jaar lang hetzelfde verhaal in je repertoire hebben. En in de loop van de tijd verandert het.”
Volgens hem is dat geen probleem, integendeel.
“Dat is eigenlijk prima.”
Een traditie die doorgaat
Aan ideeën voor nieuwe verhalen ontbreekt het niet.
Merlijn droomt ervan om ooit een sprookje te vertellen waarin het handwerk uit het verhaal letterlijk tot leven komt. Ze noemt het Grimm-sprookje De schietspoel, het klosje en de naald, over een meisje dat uitblinkt in handwerken.
“Aangezien ik ook de kostuums maak en veel handwerkvormen doe, lijkt het me leuk om dat verhaal te vertellen én die handwerkvormen tegelijkertijd te doen.”
Erik ziet zichzelf juist al staan in een van de historische huizen van Archeon, omringd door de muurschilderingen van de middeleeuwse ridderroman Walewein.
“Die roman zou ik op die plek nog wel eens willen vertellen. Dan heb je helemaal met illustraties eromheen. Dan komt het verhaal echt tot leven.”
Het typeert hoe zij naar verhalen kijken: als levende vertellingen die met iedere nieuwe verteller en elk nieuw publiek een beetje veranderen.
Misschien is dat wel waarom sprookjes en volksverhalen de eeuwen hebben overleefd. Niet omdat ze altijd hetzelfde bleven, maar omdat iedere generatie ze opnieuw vertelt. Soms is daar alleen iemand voor nodig die begint met de woorden:
“Er was eens...”
Links:












